Even over overgangsrecht

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering treedt op 1 april 2029 in werking. Wie denkt dat vanaf dat moment het oude Wetboek van Strafvordering bij het oud papier kan heeft het echter mis, want voor sommige situaties zullen we het oude wetboek nog een tijdje nodig hebben. In zo’n situatie is er altijd sprake van een proces­handeling die vóór inwerkingtreding heeft plaatsgevonden, maar waarvan een rechtsgevolg doorloopt of plaatsvindt na inwerkingtreding. Soms is het oude recht dan van toepassing op deze overgangs­situatie, soms het nieuwe. Maar hoe kom je erachter welk wetboek je moet openslaan?

Welk recht van toepassing is wordt geregeld in het overgangsrecht. Dat­wordt neergelegd in een apart wetsvoorstel (de zogeheten Invoeringswet)1 dat nu in voor­bereiding is. Het concept­wetsvoorstel, dat we al hebben mogen inzien, bestaat uit 52 artikelen. Daarbij staan drie uitgangspunten centraal: 

  1. Onmiddellijke werking en redelijke wetstoepassing
  2. Eenheid van instantie
  3. Anterieure bevelen, vorderingen, machtigingen blijven van kracht

1 Voluit: Wetsvoorstel voor de invoeringswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering – onderdeel overgangsrecht.

Onmiddellijke werking en redelijke wetstoepassing

Het eerste uitgangspunt is het belangrijkst en is daarom uitgewerkt vóórin het wetsvoorstel: als de nieuwe wet in werking treedt, moet deze direct worden toegepast. Dat betekent bijvoorbeeld dat de officier van justitie vanaf 1 april 2029 geen dagvaarding meer uitvaardigt, maar een procesinleiding indient. Of als na die datum hoger beroep wordt ingesteld, dan gaat dat volgens de bepalingen van het nieuwe wetboek. Onmiddellijke werking dus.

Redelijke wetstoepassing houdt in dat soms bepalingen uit het oude wetboek in het nieuwe wetboek worden ingelezen. Een voorbeeld. In art. 2.6.17 nSv – de opvolger van art. 151a Sv – is het klassiek DNA-onderzoek geregeld. In dat artikel staat onder meer dat de OvJ kan bevelen dat van de verdachte celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vaststellen of het uit dat celmateriaal bepaalde DNA-profiel overeenkomt ‘met (…) op grond van deze afdeling verwerkte DNA-profielen’. Met ‘deze afdeling’ wordt de afdeling van het nieuwe wetboek bedoeld over DNA-onderzoek. Als echter al eerder – op basis van het oude wetboek – DNA-profielen zijn verwerkt, mogen ook die profielen worden meegenomen bij het onderzoek. ‘Op grond van deze afdeling’ ziet daarom ook op de artikelen uit het oude wetboek op basis waarvan de profielen zijn verwerkt.

Eenheid van instantie

Voor sommige situaties is het echter helemaal niet wenselijk als direct volgens de nieuwe regels moet worden gewerkt. Bijvoorbeeld omdat het de rechtszekerheid aantast of omdat de wet moeilijker wordt om te hanteren. Eenheid van instantie is daarom als aanvullend uitgangspunt toegevoegd om als het ware de scherpe randjes van het eerste uitgangspunt af te halen. Dit uitgangspunt houdt in dat op een procedure die is aangevangen vóór inwerkingtreding van het nieuwe wetboek het oude recht van toepassing blijft. Maar alleen voor de procedure bij die instantie. Dus als is gedagvaard voor de instantie ‘rechtbank’ dan blijft de rechtbank de oude regels hanteren voor de berechting. Als echter vervolgens na inwerkingtreding van de nieuwe wet hoger beroep wordt ingesteld dan is het gerechtshof de nieuwe instantie en gelden de nieuwe bepalingen. Als het hoger beroep zou zijn ingesteld vóór inwerkingtreding van het nieuwe wetboek dan gelden voor het hof de oude procedureregels; als vervolgens na inwerkingtreding cassatie wordt ingesteld is de Hoge Raad echter weer de nieuwe instantie die dan ook moet werken volgens het nieuwe wetboek.

In met name de artikelen 3, 4, 5 en 8 zie je duidelijk het uitgangspunt van Eenheid van instantie terug.

Anterieure bevelen, vorderingen, machtigingen blijven van kracht

Het derde belangrijke uitgangspunt is dat bevelen, vorderingen en machtigingen – maar ook aan­wijzingen, lasten, beslissingen, verzoeken en opdrachten – gegeven vóór inwerkingtreding van het nieuwe wetboek hun kracht behouden na inwerkingtreding. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in artikel 9 van het wetsvoorstel. Als een bevel gegeven is vóór inwerking­treding hoeft de officier van justitie daarom niet na inwerkingtreding een nieuw bevel op te maken. Het bevel blijft van kracht gedurende de termijn van het bevel. Mocht het bevel worden gewijzigd of verlengd dan geldt wel het nieuwe wetboek.

De drie genoemde uitgangspunten zijn vervat in de eerste negen artikelen van het wetsvoorstel. Als het in een bepaalde situatie noodzakelijk is af te wijken van de algemene uitgangspunten of deze nader te concretiseren, is voor die situatie een bijzondere over­gangsbepaling in het wetsvoorstel opgenomen. Deze zijn te vinden in art. 10 en verder. Als voorbeeld neem ik meteen maar artikel 10. Volgens dit artikel moet als een getuige vóór inwerkingtreding van het nieuwe wetboek een beroep op zijn verschoningsrecht heeft gedaan, ook na inwerkingtreding een beroep hierop beoordeeld worden op basis van het oude recht. Dit geldt ook als de procedure al bij de volgende instantie verkeert. Dat is dus een afwijking van het uitgangspunt van eenheid van instantie. Aanleiding voor introductie van deze bijzondere overgangs­bepaling is dat onder het nieuwe recht het verschoningsrecht wat wordt ingeperkt; de ex-echtgenoot die als getuige optreedt, kan zich onder het nieuwe recht niet beroepen op zijn verschoningsrecht als de vragen betrekking hebben op een gebeurtenis die zich na de scheiding heeft voorgedaan. Onder het oude recht kan hij dat wel. In verband met de rechtszekerheid heeft de wetgever daarom gekozen voor deze bijzondere overgangsbepaling.

Overgangsrecht en de informatievoorziening OM

Het wetsvoorstel voor het overgangsrecht wordt op dit moment nog ambtelijk voorbereid en het duurt daarom nog wel even voordat het wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Toch is het OM nu al bezig met de beoordeling van wat dit wetsvoorstel voor invloed zal hebben op ons werk, met name op het gebied van de informatie­voorziening (IV). Je kunt je waarschijnlijk wel voorstellen dat het ICT-technisch uitdagend is om – in ieder geval tijdelijk – ingericht te zijn voor het werken met twee wetboeken. Registratie van startmomenten – wanneer vond de proceshandeling plaats? – wordt extra belangrijk om te achterhalen of overgangsrecht van toepassing is.

Juridische analyse overgangsrecht

Door het programmateam wordt gewerkt aan een juridische analyse van het overgangsrecht. Deze zal in juni gereed zijn. In deze analyse zijn bij ieder artikel van het over­gangsrecht schema’s opgenomen die bedoeld zijn om de complexe overgangsbepalingen wat inzichtelijker te maken. Je kunt door de schema’s te raadplegen snel zien welk wetboek van toepassing is.

Het zojuist besproken artikel 10 over het verschoningsrecht van de getuige ziet er in schema als volgt uit:

Daar is in een oogopslag duidelijk dat het oude wetboek van toepassing is. Sommige schema’s geven echter aan dat juist de nieuwe wet van toepassing is. ­Dat is bijvoorbeeld het geval bij de bijzondere overgangsbepaling van artikel 15. Dat artikel betreft het bezwaarschrift van het slachtoffer tegen de weigering door de officier van justitie een onderzoek in te stellen naar een ernstige besmettelijke ziekte.


Wil je meer lezen?

Volgende artikel

Nieuwsbrief Nieuw Wetboek van Strafvordering - Juni 2026

Aanmelden voor deze nieuwsbrief kan via Modernisering.WvSv@om.nl